
print paginaPleidooi voor daadwerkelijk postkolonialisme
In de herdenking van vijftig jaar onafhankelijk Congo loopt de Belgische kunstwereld voorop. Wat is er gaande en hoe moet het worden geapprecieerd?
door Karel Vanhaesebrouck
Toen de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (KVS) in Brussel voor het eerst met een deel van zijn ploeg naar Congo trok, begreep ik de inzet niet. Waarom moeten de artiesten aldaar nu per se kennis maken met ons Vlaamse theater? Wat hadden die artiesten, die vaak nooit eerder in Congo waren geweest, daar in godsnaam te zoeken? Hadden artistiek leider Jan Goossens en zijn ploeg dan werkelijk een patent genomen op een nieuwerwets cultureel paternalisme? Toen de KVS daarenboven zijn vernieuwde cafetaria ook nog eens Café Congo doopte, gingen mijn tenen helemaal krullen. Congo als trendy merknaam voor de Nederlandstalige bobo’s in Brussel? De naam van de bar ben ik belachelijk blijven vinden, het belang van het Congo-programma van deze instelling echter niet.
Op 30 juni vierde de Democratische Republiek Congo de vijftigste verjaardag van haar onafhankelijkheid. In België was dat feest vooral een aanleiding om de koloniale periode te herdenken. De verhouding van België tot zijn eigen koloniale verleden is op zijn zachtst gezegd nooit waardevrij of onproblematisch. Kan of beter moet de Belgische koning Albert II de feestelijke plechtigheid in Congo bijwonen? Alleen al die vraag was voldoende aanleiding voor een turbulente discussie in het Belgische parlement. De Belgen hebben zich nooit een adequate houding kunnen aanmeten tegenover het bijzonder corrupte en bij momenten gewelddadige regime van DRC-president Kabila. Terwijl oud-minister van buitenlandse zaken Karel De Gucht er niet voor terugdeinsde diezelfde Kabila een fikse veeg uit de pan te geven, beperkte zijn opvolger Steven Vanackere zich tot een krampachtige eierenloop, beducht om niemand voor het hoofd te stoten. Vijftig jaar na de verklaring van de Congolese onafhankelijkheid zijn de Belgen nog steeds niet in het reine met hun eigen koloniale verleden. Terwijl de Congolezen vooruit willen, blijven de Belgen terugblikken, soms dobberend in nostalgie, soms verlamd door schuldgevoel. De nostalgie bereikte een ergerlijk hoogtepunt met de VRT-reportage waarin journalist Lieven Vandenhaute schrijver en huisvriend Jef Geeraerts terugbracht naar ‘zijn’ Congo. Geeraerts stelde er tot zijn grote tevredenheid en ijdelheid vast dat de Congolezen hem nog steeds een warm hart toedroegen, ook al herinnerden zij zich nog levendig de striemen van de matrak die hij liet hanteren.
Gelukkig vormt deze verjaardag ook de aanleiding voor een indrukwekkende reeks (potentieel) interessante evenementen, voorstellingen en publicaties: de documentaire Cemetery State van de Leuvense antropoloog Filip De Boeck, een fotoboek van Carl De Keyzer, diverse tentoonstellingen in het Museum van Tervuren, de documentaire-reeks Bonjour Congo, het indrukwekkende boek Congo, een geschiedenis van David Van Reybrouck, heuse Congo-festivals in De Warande (Turnhout) en het Zuiderpershuis (Antwerpen), enzovoort. De lijst van evenementen in België is waarlijk eindeloos. Hoeveel gelijkaardige evenementen er in Congo zelf plaatsvinden, weet ik niet, al leert wat vluchtig surf- en vliegwerk dat het vermoedelijk een pak minder zal zijn.
De verjaardag van de Congolese onafhankelijkheid is misschien in de eerste plaats een herdenking van een periode uit de Belgische geschiedenis, van de teloorgang van ‘den Congo’, met name het Congo dat in de eerste plaats in de Belgische culturele verbeelding een plaats inneemt. Het wordt dan ook hoog tijd om de Congolese verbeelding een plaats te gunnen in ons verleden. Dat dat niet evident is, ondervond in 2007 de Congolese student Bienvenu Mbutu Mondodo. Toen hij een klacht indiende tegen Kuifje in Congo, het befaamde album waarin Hergé zonder verpinken alle racistische stereotypieën (zwarten zijn lui, niet erg slim en goedlachs) gretig etaleerde, was hoongelach zijn deel. In een uiterst scherpe opiniebijdrage hield Marc Reynebeau (De Standaard, 24 september 2007) een pleidooi om die klacht ernstiger te nemen: ‘Zijn die beroerde jaren dertig (het album verscheen in 1931, kv) echt wel “verwerkt”, de tijd waarin de democratisering steeds meer op autoritaire tegenwind stuitte en die onder andere Kuifje in Congo heeft voortgebracht. Weten de Belgen nu echt genoeg over hun koloniale verleden om het album louter als een tijdsdocument te zien.’ Nog steeds zijn de Congolezen slechts meubelstukken in hun eigen geschiedenis. Precies daarom stelde Mondodo voor om een Congolese historicus te vragen twee bladzijden historische duiding toe te voegen. Niets minder dan het recht om je eigen geschiedenis te mogen schrijven, wordt hier opgeëist. En met die eis bevinden we ons in het hart van het postkolonialisme.
Ook al lijkt het een evidentie, de festiviteiten omtrent vijftig jaar Congo laten vooral zien dat de Congolese geschiedenis nog steeds in hoofdzaak een Belgische aangelegenheid is. ‘Nog steeds’, schreef David Van Reybrouck niet zo lang geleden in de huiskrant van de KVS, ‘is een dialoog met Congo een dialoog met ons koloniale verleden, niet met de Congolezen zelf.’ Precies die dialoog vormt de inzet van de Congo-werking van de KVS, die nu vijf jaar loopt. Na de voorstelling Leven en werken van Leopold II (regie: Raven Ruëll) en de oprichting van de Green-Light-groep, besloot dit los-vaste collectief van Congolees-Brusselse artiesten, dat structureel werd ingebed in de KVS, naar Congo te trekken. Al snel stelden ze vast dat er weinig tot geen culturele infrastructuur voorhanden was en dat een cultuurbeleid nagenoeg afwezig was. Tegelijk zagen ze dat er in vaak precaire omstandigheden héél veel en met héél veel overgave werd gemaakt en gespeeld. Een workshop met als vertrekpunt Martino van Arne Sierens vormde het startpunt voor een traject van uitwisselingen. Er werd gezocht naar een nieuwe relatie van wederkerigheid, naar een manier om de Belgisch-Congolese verhouding te herdenken, buiten het terrein van de ontwikkelingssamenwerking.
Aanvankelijk begreep ik het doel van deze onderneming niet. Waarom met Vlaamse artiesten naar Congo afreizen om hun veronderstelde gemis te beantwoorden? Waarom dure workshops organiseren als er amper iets op het gebied van cultuur mogelijk is voor Congolezen zelf? Ook in de bijzonder mooie voorstelling Missie van David Van Reybrouck en Raven Ruëll bleef een echt wederkerige ontmoeting uit. (Dat was overigens ook niet de bedoeling: hier stond in de eerste plaats de erfenis van de Belgische koloniale missiewerken centraal.) Pas met À l’attente du Livre d’Or, de theaterproductie die Johan Dehollander en Geert Opsomer afgelopen voorjaar uitbrachten met vier Congolese en twee Belgische acteurs, werd me echt duidelijk wat de ware inzet van zo’n uitwisseling kan zijn. Zonder dat gegeven ook echt de expliciteren en evenmin te problematiseren, neemt deze warme voorstelling de verschillen in kijken, werken en denken als evident uitgangspunt. Hier speelt zich voor de ogen van de toeschouwer een échte ontmoeting af, op het podium, met een publiek. Hopelijk krijgt deze voorstelling de kans om uitgebreid in Congo te toeren, want pas dan zal deze ploeg daadwerkelijk ervaringen kunnen uitwisselen. Precies daar ligt de uitdaging: samen het verschil maken, niet alleen in België, maar ook in Congo. En dat impliceert een relatie van uitwisseling en gelijkwaardigheid op het gebied van cultuur en onderwijs.
De indrukwekkende lijst Congo50-evenementen – hoe interessant en pertinent ook – suggereert voorlopig nog te veel eenrichtingsverkeer, waarbij Congo als artistieke humus fungeert voor niet-Congolese artiesten. À l’attente laat zien dat er nood is aan andere, hybride praktijken die niet langer onder de bipolaire logica kunnen worden begrepen die een koloniale geschiedenis met zich meebrengt. De voorstelling van Dehollander en Opsomer is daarom misschien een eerste, voorzichtig antwoord op de messcherpe analyse van Renzo Martens. Die liet in zijn documentaire Episode 3 – Enjoy Poverty (2009) zien hoe wíj, cultuur- en ontwikkelingswerkers met al te veel goede bedoelingen, Congo nodig hebben om onszelf een identiteit aan te meten, hoe we het land gebruiken als grondstof voor onze eigen culturele economie. À l’attente is een eerste stap in de richting van een daadwerkelijke postkoloniale métissage, voorbij de neokoloniale trots van Geeraerts of de politiek-correcte kramp van klokkenluiders en ontmaskeraars. Het tweerichtingsverkeer, en dus de bereidheid om ook onze eigen premissen te laten contamineren, daarin ligt de ware uitdaging. De praktijk is echter weerbarstiger dan de discours.
Karel Vanhaesebrouck is docent cultuurwetenschappen aan de Universiteit Maastricht en docent aan de Brusselse film- en theaterschool Rits, waar hij de theateropleidingen coördineert. Hij maakt deel uit van de redactie van rekto:verso en is jurylid van Het Theaterfestival 2010.















































